Lees het relaas van de tocht der tochten van Claas Caeskoper in de Kleine IJstijd

De heftige seizoensvoorspellingen die momenteel binnenkomen die spreken van de terugkeer van de Kleine IJstijd brengen ons zeker in de stemming voor het volgende waar gebeurde verhaal:

De twaalfstedentocht van 1676

Claas Caeskoper was een groot schaatsliefhebber. Zodra de vorst inviel, werden zijn notities over het weer uitvoeriger. Bij het lezen van die weerberichtjes kan men zich gemakkelijk voorstellen hoe hij zich verkneukelde bij een aantekening als ‘het vroor een gang ijs op een dag’. Met een gang ijs bedoelde hij een laag die dik genoeg was om op te staan. Wanneer het een weekje achtereen zo streng had gevroren, kon hij met zijn geliefde zinnetje ‘de paarden komen op het ijs’ noteren, dat de arrensleden op sloten en wateringen verschenen. Claas had het geluk dat hij in een koele tijd leefde. De zeventiende eeuw viel in het hart van de zogenoemde Kleine IJstijd, de periode van de vijftiende tot de negentiende eeuw waarin de gemiddelde temperatuur in West-Europa ruim een graad lager lag dan ervoor en erna.

Voorspel
In de winter van 1676/1677 schaatste Claas Caeskoper als nooit tevoren. Op 4 december kon hij nog met de Koger veerschuit naar Amsterdam, maar de schuit werd toen al zwaar gehinderd door ijsgang. Drie dagen later reed hij met buurtgenoten op de schaats naar Assendelft. Het vroor ‘snacker’ (pittig), maar door onvoorzichtigheid zakte hij op de terugrit toch tot zijn middel door het ijs. Hij droogde zich af in de herberg van Vrouwenverdriet aan de Nauernase Vaart. De volgende dag reed hij in dooiweer op ‘wanckel’ ijs naar Beverwijk. Op 9 december was het mooie vriesweer terug. Hij zette zijn dochter Marietje, een kleuter van bijna vijf, op een slee en reed met haar het veld in. Op de 14de werd het heel koud bij een straffe noordooster. De paarden begonnen toen op het ijs te komen. Hij schaatste over bijzonder mooi ijs naar Amsterdam. De dag daarop reed hij bij strenge vorst met een groepje naar Medemblik om enkele ingevroren Oost-Indiëvaarders te bekijken en op 16 december schaatste hij bij harde wind met een aantal mans- en vrouwspersonen naar Alkmaar.

Verslag
Hoe en wanneer het idee was opgekomen, en van wie het kwam, worden we uit zijn aantekeningen niet gewaar, maar feit is dat Claas en drie kornuiten een grootse schaatsonderneming van plan waren. Pas wanneer de tocht is volbracht, doet hij er verslag van, zakelijk en beknopt als altijd: ‘19 december. Zwak windje. Over de Zaan ben ik in compagnie met Meindert Arendsz, Jacob Blauw en Jacob Buur ’s morgens om 4 uur in heldere maneschijn op de schaats uitgereden. Naar Haarlem, van daar naar Amsterdam, van daar naar Weesp, naar Naarden, van daar naar Muiden, van daar over Pampus naar Monnikendam, van daar naar Edam, van daar door Purmerend, van daar naar Oudendijk waar wij omstreeks 1 uur voor de eerste keer pleisterden. Van daar naar Hoorn, van daar naar Enkhuizen, van daar naar Medemblik, van daar naar Alkmaar waar wij nog eens pleisterden, en van daar naar huis. Toen wij net van Alkmaar weg waren begon het te sneeuwen. Omtrent half negen ’s avonds kwamen wij thuis, hebbende bovengemelde twaalf steden bezocht op één dag.’

De schaatsvrienden
Wie waren de tochtgenoten? We mogen aannemen dat zij tot hetzelfde milieu behoorden als Claas Caeskoper. Gegoede Zaanse burgerij dus, vermoedelijk kooplieden. In die kring bewogen zich twee tijdgenoten van Claas die de naam Meindert Arendsz droegen. De eerste heette voluit Meindert Arendsz Meyn. Hij was diaken bij de Vlaams-doopsgezinde gemeente van Westzaandam. Deze Meindert Arendsz was weliswaar een tijdgenoot van Claas, maar niet van dezelfde generatie. In het jaar van de twaalfstedentocht was hij al vijftig jaar oud. Het is daarom weinig waarschijnlijk dat hij de gezochte schaatser is. Met de andere Meindert Arendsz lijkt alles te kloppen. Deze was een telg van de vooraanstaande Zaandammer koopmansfamilie Bloem. Hij verschilde in leeftijd niet veel van Claas Caeskoper. Om een of andere reden hield hij er niet van zijn familienaam te voeren. In belastingkohieren en andere documenten staat hij meestal als Meindert Arendsz, zonder Bloem. Ook Caeskoper had het slechts over Meindert Arendsz, terwijl hij de twee andere schaatsmakkers wel bij hun achternaam noemde. Schaatser Jacob Blauw is waarschijnlijk te identificeren als de houtkoper Jacob Cornelisz Blauw te Zaandam. Jacob Buur woonde in 1733 in Oostzaandam aan het Kattegat. Ik weet niet of hij daar ook al huisde toen hij de heldhaftige tocht ondernam.

Tsaar Peter
Het is bekend dat Claas Caeskoper goed bevriend was met Meindert Arendsz Bloem. Dat blijkt ook uit de twee regeltjes die Claas noteerde over het bezoek van tsaar Peter de Grote aan Zaandam in 1697. We lezen: ‘18 Augustus kwam Zijne Tsaarse Majesteit naar Zaandam. De 21ste met hem in een boeier’. Waar anderen zich hebben uitgeput in bloemrijke verslagen van de paar dagen die de tsaar het aan de Zaan heeft uitgehouden, wenste Claas Caeskoper ‒ toch een van de weinigen die letterlijk met de majesteit in hetzelfde schuitje hadden gezeten ‒ er niet meer dan die paar woorden aan te besteden. Uit andere bronnen is bekend dat de tsaar een zeiltochtje op de Zaan heeft gemaakt in de boeier van Meindert Arendsz Bloem. Daarop zal de aantekening van Claas dus wel betrekking hebben. Hij was blijkbaar door zijn vriend Meindert gevraagd mee te varen.

Route
Op het kaartje is de twaalfstedentocht van 19 december 1676 uitgezet. Claas Caeskoper beschreef de tocht slechts als een opeenvolging van stedennamen, zodat niet op alle etappes met zekerheid is te zeggen welke route zij precies volgden. Het kaartje laat de vier dappere schaatsers bijvoorbeeld binnendoor, over het Haarlemmermeer, naar Amsterdam rijden, maar het is niet uitgesloten dat zij weer over het IJ gingen. Hoe dan ook, de variaties die men in de route kan bedenken maken op de afgelegde afstand niet veel uit. Het komt in alle gevallen uit op 280 à 290 kilometer schaatsen op één dag. De Friese elfstedentocht (199 km) is in vergelijking daarmee een rit voor krabbelaars. Wel is het mogelijk dat de Friese tocht voor de Zaanse schaatsers als inspiratiebron heeft gediend, want elfstedentochten wérden in Friesland in de zeventiende eeuw al gereden. Het viertal reed de twaalfstedentocht, rustpauzes meegerekend, in 16½ uur. Als we voor de twee pleisterplaatsen in totaal 1½ uur rekenen, dan was hun gemiddelde snelheid ongeveer 20 kilometer per uur.

Zonder ophef
Ik heb geen aanwijzingen gevonden dat de prestatie van de vier Zaanse sportvrienden wijd en zijd de aandacht zou hebben getrokken. Dat is ook niet te verwachten als zijn schaatsmakkers even bescheiden types waren als Claas, die de tocht zonder ophef in zijn dagboek noteerde. Hem ging het er vooral om dat de plaatsnamen in de juiste volgorde stonden vermeld, dat tijdopgaven klopten en dat de weersgesteldheid correct was weergegeven. Hij had nu eenmaal een manie voor het vastleggen van plaats, tijd en weersomstandigheden van gebeurtenissen. Hoe moe ze zich onderweg voelden, of hoe triomfantelijk bij thuiskomst, dat soort dingen schreef hij niet op. Er volgden die winter nog vele tochtjes, op de schaats of met de paardenslee, maar dat was allemaal kinderspel in vergelijking met de twaalfstedentocht. Na enkele dagen dooiweer kwam op 14 februari 1677 het definitieve einde van een gedenkwaardige schaatswinter. Vanuit Wormer, waar de beschuitbakkers dringend vrije doorvaart nodig hadden, werden de Zaan en een aansluitende vaargeul over het IJ naar Amsterdam opengebroken.

Afgelopen voorjaar verscheen het boek ‘De Caeskopers: een Zaanse koopmansfamilie in de Gouden Eeuw’. Auteur Bert Koene putte voor dit boek voornamelijk uit het dagjournaal dat Claas Arisz. Caeskoper zestig jaar lang bijhield. In Zaans Erfgoed verscheen onderstaande voorproef van het boek.

Zie ook: www.historischeverenigingkoogzaandijk.nl

Categorieën: Natuurijs

Hajo

Hajo Smit is wintersport- en sneeuwgoeroe en bovenal de nationale wintersportweerman. Op deze blog vind je tijdens de wintermaanden dagelijks nieuwe berichten!

20 reacties

Gesloten voor reacties.